Joseph en Mit

Josephus Louis Leopold Arts (Jef) werd geboren als jongste van elf kinderen, de zevende zoon op rij, zodat Koning Leopold II, enkele maanden vóór diens dood, zijn dooppeter was.

Op elfjarige leeftijd verloor Jef zijn moeder, wat een onuitwisbaar trauma zou blijven voor de rest van zijn leven. Zelden sprak hij over zijn moeder, maar als hij erover sprak werden de tranen hem onmiddellijk zichtbaar in zijn ogen. Zijn intens gevoelsleven zou hij later meestal verbergen achter een ietwat autoritaire viriliteit.

Na een paar jaren mocht hij naar het college van Turnhout, waar hij zijn beide broers Jezuïet toen jonge surveillanten waren en dus “een oogje in het zeil” konden houden. Turnhout werd voor hem een gelukkige tijd, waarin zijn talenten voor toneelspelen, voetbal, muziek en fanfare zijn mooiste momenten meebrachten. Op het einde van zijn humaniora dacht hij eraan witheer te worden in de abdij van Postel.

Hij correspondeerde erover met zijn broer Norbertijn, Rie. Toen hij afzag van dat plan droeg hij tot op het einde van zijn leven – een zware medaille van Norbertus aan zijn Paternoster, die hij – zoals hij dit later eiste van zijn zonen – dagelijks in zijn rechterzak droeg.

Zijn mooiste jaren noemde hij echter zijn kandidatuur in rechten in Namen, waar hij voorzitter was van de Maria-Congegatie en van de Vlaamse studentenbeweging. In Leuven werd hij spoedig gekozen als praeses van “Sinjoria” terwijl hij zich in Edegem intensief bezig hield met de kajotters aldaar (op aanraden van zijn broer Jom). Als jong advocaat vond hij eerst klanten in Edegem en Kontich.

Na zijn huwelijk vestigde hij zich vlak bij het justitiepaleis in Antwerpen, met name nadat hij op woensdag 23 augustus 1933 met de 22-jarige Maria Antonia Petronella Dekkers(Marite of Mit) in het huwelijk getreden was. Mit werd te Antwerpen geboren op zaterdag 21 januari 1911, als tweede van acht kinderen, uit een zeer welstellend redersgezin in de Sint-Andries buurt te Antwerpen. De kindervoituurtjes van Jef en Mit stonden vaak naast elkaar op de Groenplaats, terwijl hun respectievelijke begeleidsters, Jeanne Arts en Elisabeth Dekkers, op een bank gezeten, rustig een babbeltje sloegen met elkaar.

Jefs broer Paul (die door Jef vaak een “heilige” genoemd werd) was in feite reeds vroeg de eigenlijke gezaghebbende vader geworden van de moederloze jonge man. Broer Paul, zelf gehuwd met een Dekkers, nam in de vroege dertigerjaren vaak zijn jonge broer mee naar het vrolijke gezin van Frans Dekkers, waar hij piano speelde en de dochters begeleidde bij hun zingen en dansen.

Muziek heeft vast en zeker een grote rol gespeeld in zijn jeugd. Een familieorkest musiceerde wekelijks: in eigen rangen beschikten de Artsen over pianisten, eerste en tweede violen, violoncellisten en een stel goede zangers. Een krachtige stem hadden ze trouwens allemaal in de familie. Op de talrijke communiefeesten interpreteerden Fa en Jef steeds met veel zwier hun frivool “quatre-mains”.

Vóór de grote krach van de beurs in New York in 1929 woonde het gezin Dekkers het grootste deel van het jaar op hun kasteel in Schotenhof, terwijl de meisjes studeerden bij de “Dames” of de “Sacré Coeur” en de jongens op het O.L.V. College. Frans Dekkers startte toen met de hulp en raad van Paul Arts (intussen de beste vrienden geworden) een nieuw bedrijf op.

Beide gezinnen trokken steeds meer samen op weg onder meer naar Wenduine of Blankenberge, Orval, Bad Godesberg enz. Zo leerden Jef Arts en Marie Dekkers elkaar kennen en huwden zij in 1933.

Tientallen jaren lang zouden de drie broers Paul, Fa en Jef op woensdagavond kaart spelen ten huize van Paul, met als vierde man Pauls oudste zoon, toen Polleke genaamd. Een wekelijkse avond waarvoor letterlijk alles moest wijken. De dames naaiden of breiden intussen en bespraken de kleine evenementen van de familie Arts. Bij het kaartspel ging het er intussen luidruchtig – voor de buitenstaanders zelfs enigszins agressief – aan toe, maar pret hadden zij. De borrels werden nooit opgeschaald vóór tien uur.

Jef was een strenge vader en een zeer hartelijke en tedere echtgenoot, die in zijn vrouw bovenal de “moederfiguur” zocht. Belangrijker nog dan de studies van zijn kinderen achtte hij hun kerkelijk medeleven. Zijn broers “pater” kwamen vaak eten. Zij waren gezaghebbend in zijn ogen, vooral dan Louis.

Omwille van zijn sterke Vlaams-nationalistische overtuiging (die in werkelijkheid zeer verdraagzaam was en altijd moest wijken voor zijn christelijk – politieke overtuiging) kwamen na de bevrijding in 1944 tientallen echtgenoten van “zwarten” of repressie slachtoffers bij advocaat Jef aanbellen om hulp, raad en verdediging. De jaren van repressie waren verreweg de drukste jaren uit zijn advocatenloopbaan.

Intussen was Jef ook professor geworden zowel aan de handelshogeschool Sint Ignatius als aan het handelsinstituut van de Korte Nieuwstraat, wat hij – naar het zeggen van zijn talloze studenten – uitmuntend deed. Vooral bij de meisjes was hij de geniale prof.

Tijdens de oorlog stichtten Jef en Mit een “vleugelenbond”: koppels uit de familie Dekkers kwamen geregeld samen om gezellig en, ondanks de benarde omstandigheden, stijlvol in avondtoilet en vooral copieus te tafelen. Zo ontwierp Mit ooit ter decoratie een “worstenboom”, die tot de verbeelding en tot de appetijt sprak, behangen als hij was met delicatessen van de zwarte markt. Aan de aanwezigen om die te plukken. Ook hier was Jef de nooit aflatende tafelrederaar, zoals de notulen getuigen. De kinderen stonden achter de deur of op de trap te luisteren naar de Duitse, Franse en Vlaamse liederen en naar de talloze grappen over Hilter, Churchill of Roosevelt. Omwille van de avondklok duurde het feest de hele nacht door en werd traditiegetrouw besloten met de zondagse vroegmis.

In 1945 werd Jef ondervoorzitter van de Bond der Jonge en Grote Gezinnen. In dienst van deze organisatie reisde hij als gastspreker het ganse land af. Hij zetelde eveneens in de maatschappij “Onze Woning”, en was sinds 1968 fractievoorzitter van de Christelijke Volkspartij in de Antwerpse gemeenteraad.

Jef en Mit waren blij en gelukkig toen twee van hun zonen respectievelijk jezuïet en benedictijn werden, al hadden zij hun kinderen in die keuzen nooit “gericht”.

Tegenover zijn kleinkinderen toonde Jef plots een heel ander gezicht: gedaan met strenge opvoedingsregels. Het kon er nu niet zacht, lief en geduldig aan toegaan. Vaak maakte hij nu zijn zonen – en iets minder zijn dochters – het verwijt dat ze “te streng” waren in hun opvoeding. Hoe meer zijn kleinkinderen op bezoek kwamen, hoe liever hij dit zag, terwijl Mit iets eclectischer bleek in haar voorkeur. Intussen groeide tussen kleinkinderen en grootouders een bijzonder intense band.

Het accident op het circuit van Francorchamps dat voor Peter, benedictijn in Wavreumont, fataal afliep, werd een tweede traumatisch gebeuren in Jefs leven. Meer nog dan Mit liet hij zijn tranen de vrije loop. Hoezeer hij door beide trauma’s getekend was, bleek uit zijn laatste woorden op zijn sterfbed: “nu zal ik eindelijk mijn moeder en mijn Peterke terugzien!”. Mit kon gemakkelijker praten over de dingen van het hart, dat was haar psychologische bevrijding.

Jef overleed op 72-jarige leeftijd te Antwerpen op zondag 5 september 1982. Mit heeft haar echtgenoot – na een opvallend harmonische en gelukkig huwelijksleven van 49 jaren – achttien jaar overleefd. Haar pijn om Jefs wegvallen is nooit verminderd.

Ondanks haar gevarieerd “calendrier mondain” en haar talloze sociale contacten en vele vriendinnen bleef haar leidmotief “een gevoel van eenzaamheid”. Zij waren een zeer hecht huwelijkskoppel geweest, waarvan de kinderen onderling sterk verschillende levensrichtingen insloegen en juist daardoor een sterke band met elkaar wisten te behouden.  Zij stierf op zaterdag 23 oktober 1999.

Uit het huwelijk Arts – Dekkers werden te Antwerpen vier jongens en twee meisjes geboren.

Tot slot enkele kleine anekdotes vanwege Herwig Arts, die het patriarchale – zij het niet paternalistische – karakter van de oude generatie der Artsen illustreren:

Op het Onze-Lieve-Vrouwcollege was het de gewoonte dat een “primus perpetuum” (die dus in alle klassen van de humaniora de eerste plaats behaald had) zijn “gouden medaille” als volgt mocht ontvangen. Onder het spelen van de Brabançonne bracht een scout (soms ook wel eens een K.S.A.er) op een mooi kussentje de bewuste medaille naar de moeder van de leerling in kwestie, die dan het Belgische lint, waaraan de medaille hing, rond de hals van haar zoon mocht hangen. Bij het zien van die medaille zei Bompa Arts echter waardig en kordaat: “Hier, daarmee! Dat doe ik!”. Zo ontving ik als enige leerling dit kleinood uit de handen van mijn indrukwekkende en gezagvolle Grootvader.

Op de negentig jarige verjaardag van Bompa gaf deze laatste ook een diner in Edegem, enkel voor zijn kinderen en schoonkinderen én de priesters of paters Arts tussen zijn kleinkinderen. Als jongste van die vier kozijnen paters en als petekind van Bompa, voelde ik plots het verlangen in mij opkomen om een klein felicitatiewoordje uit te spreken, in naam van de aanwezige en niet-aanwezige kleinkinderen.

Bompa leek tevreden maar vader was in paniek, want ik had, zo bleek, een fundamenteel gebruik van de familie Arts zwaar en pijnlijk geschonden. Vader kwam mij nerveus en geschokt zeggen dat ik toch moest weten dat in de familie niet de jongste maar enkel de oudste het recht had om in naam van allen het woord te nemen.

Op ieder groot feest van de familie Arts was er een moment waarop nonkel Toine of nonkel Charles een discrete wenk gaf aan vader, de jongste broer dus en goed redenaar; hij moest een toespraak doen, die vlug moest belanden op het thema van Grootmoeder, Bompa’s vroeg gestorven echtgenote. Zodra die ter sprake kwam – meestal op een uiterst emotionele, zelfs ietwat pathetische wijze – begonnen alle aanwezige nonkels (haar zonen dus) hun zakdoek boven te halen om hun overvloedige stille tranen te wissen. Het was een gevoelsgeladen gewoonte die een echte “must” geworden was bij de “Artsen”. En dat was nu wél de taak van de jongste, zij het dan per uitzondering.

Toen ik het einde van de “voorbereidende” of “lagere school” bereikt had op het Onze-Lieve-Vrouwcollege kwam nonkel Paul op een avond onverwacht langs. Ik werd door vader op zijn bureel geroepen, waar nonkel Paul zat met een zeer ernstige en strenge gelaatsuitdrukking. Hij had vader reeds uitgelegd dat de tijd nu gekomen was om mij – “zoals alle ander Artsen” – naar het Vlaamse Xaveriuscollege te sturen, weg van dat “franskiljonse college van de Boulevard”. Dankzij mijn immens gehuil achteraf toen nonkel Paul reeds weg was, kon de “operatie” uitgesteld en daarna op de lange baan geschoven worden, zodat ik kon blijven op het college, waarvan nonkel Paul later – om andere redenen – zoveel ging houden.

Na twee jaar (streng) noviciaat in Drongen zei de overste mij bij het afscheid nemen (voor de legerdienst): “u hebt wellicht ondervonden dat ik tegenover u iets strenger was dan tegenover de anderen?” Dat had ik natuurlijk gemerkt. “U mag dat nochtans niet kwalijk nemen” aldus nog de overste. “Uw oom (Jom) heeft mij twee jaar geleden gezegd: “mijn neef is een beetje verwijfd, hij is een franskiljon en bovendien een moederskindje. Pak hem dus kernachtig aan! Wat ik dan ook geprobeerd heb.”