Paul en Josepha

Paulus Joannes-Baptist Arts werd op donderdag 6 januari 1898 in het “Gouden Anker” te Antwerpen geboren als vijfde kind van Guilielmus Arts (VII-b) en Maria Van Bogaert.  Doopheffers waren Joannes-Baptist Arts (VI-b-4) en Paulina Van Damme.

Als 22-jarige huwde hij op 30 juni 1920 in de Onze-Lieve-Vrouwekerk met de 27-jarige Victorie Josepha Fernanda Dekker. Zij was het vierde kind uit het gezin van David Joannes Alphonsus Dekkers en Maria Joanna Julia Verhaegen.  Getuigen bij het huwelijk waren Fernanda Dekkers en Antonius Arts (VIII-a.).  Josepha werd op kerstdag 1893 aan de Kammenstraat 35 geboren.  Hier hielden haar ouders een winkel met naam “’t Voetje” waar ellegoederen verkocht werden. Hun zeven kinderen werden te Antwerpen geboren en gedoopt.

Wat volgt is een levensloop geschreven door Luk Arts s.j.

Omdat “in de tijd van toen” ouders meestal het initiatief in eigen handen hielden om voor hun kinderen een geschikte bruid of bruidegom te vinden, – als de tijd er rijp voor was wel te verstaan -, zou het wel eens kunnen dat vader kleermaker Giljom af en toe één van zijn negen zonen naar “Het Voetje” stuurde, vlakbij in de Kammenstraat, om in deze winkel van ellegoederen wat katoen of een stuk lijnwaad te gaan halen.

Als die zoon dan bij toeval Paul was, heeft die er ongetwijfeld een oogje laten vallen, heel bescheiden en beleefd natuurlijk, op de bevallige Josepha, één van de vier kinderen van David Dekkers en Julia Verhaegen.

Een vrome familie trouwens. Een oudere zus Maria was reeds ingetreden bij de Gasthuiszusters van Antwerpen en werd er ‘Zuster Bernadette’, voor ons was het “Tante Nonneke”, en haar jongere broer Karel werd Norbertijnenheer in de Abdij van Averbode, en kreeg er de kloosternaam Pascal. Voor ons was hij “Nonkel Pastoor”, al was hij toen de onderpastoor op de Groenenhoek, de stichter van een bloeiende Kajottersvereniging en mochten we bij hem voor aparte les als we last hadden met de Latijnse vervoegingen…

Maar keren we terug naar vader. Hij was zestien jaar oud toen in 1914 de eerste wereldoorlog uitbrak, hij zijn studies bij de paters jezuïeten moest onderbreken en met zijn ouders voor het oorlogsgeweld vluchtte naar Sluis in Nederland. Hij kwam er terecht in de school van de “Frères de Saint Omer”. Uit het weinige dat vader hierover vertelde, moeten we toch afleiden dat hij zich hier goed wist aan te passen en een bijzondere waardering had voor een zekere Pater Didacus, die hem de liefde voor muziek bijbracht en hem vooral goed leerde piano en orgel spelen. Jarenlang trouwens ging vader bij alle grote feestelijkheden het orgel bespelen in de Franciskanerkerk op de Oever. Omdat de oorlog in volle hevigheid voortduurde en hun oudste broer Antoine dienst deed in het Belgische leger, moesten de zonen Charles en Paul hun studies bij de paters jezuïeten vroegtijdig onderbreken om vader bij te springen in het Modepaleis.

Er moet in deze kledingszaak hard gewerkt zijn, want nauwelijks waren de grote verbouwingswerken voltooid, waarbij twee winkelpanden tot één geheel ‘Modepaleis’ werden omgebouwd, of vader Giljom kocht de tegenoverliggende kruidenierswinkel “De Biekorf”, waar vanaf 1923 ons vader de “Herenkleding Sint Andries” opstartte en er meer dan vijftig jaar tot enkele dagen voor zijn dood actief bleef.

Hij was in 1920 getrouwd en woonde de eerste drie jaren op de ‘mansarde’ van het “Voetje”, het ouderlijk huis van ons moeder. Daar werden mijn broer Paul en onze oudste Zus geboren. Omdat de oneven nummers van de Kammenstraat tot de parochie van de Onze-Lieve-Vrouwkathedraal behoorden, werden zij in deze kerk ook gedoopt. Voor de vijf kinderen die nog zouden volgen, werd het de Sint Andrieskerk , want nu woonde het jonge gezin in het ‘souterrain’ onder de winkel “Sint Andries”.

Wij kunnen ons nog moeilijk voorstellen hoe onze ouders, – en vader had in zijn jeugd, als vijfde van de elf kinderen, in de kelderverdieping van het Modepaleis dezelfde situaties meegemaakt -, het klaarspeelden om in die beperkte ruimtes te leven en te eten, te wassen en te plassen! Het kan niet anders of hier werd het fundament gelegd van een onverwoestbare solidariteit.  Een gezin waar je leert delen en verdelen, waar plagerijtjes naast oprechte waardering voor elkaars gaven en talenten de grondstoffen vormen voor ieders persoonlijke ontplooiing.

Hoe zag dan in “Sint Andries” een dagscenario er uit?  Wat nu beschreven wordt, stoelt voornamelijk op de herinneringen die oudere broers en zussen hiervan hebben bewaard. Om halfzeven ’s morgens opstaan om tijdig de zevenurenmis te volgen in de kerk van de paters Franciscanen op de Oever. Hierna volgde een fikse wandeling langs het Zuiderterras van de Schelde. Daar was elke morgen reeds genoeg spektakel te beleven bij het laden en lossen van de grote zeeschepen die er gemeerd lagen. Zeker als vader de aandacht trok op de dokwerkers met hun struise Brabantse trekpaarden: “Kijk, nu gaat de paardenmenner zijn twee rossen iets in de oren fluisteren (in feite controleerde hij of hun bit en leiband goed zaten) en dan ga je ze die zware platte wagen zien voorttrekken. En kijk nu naar die gespierde billen en pezen op hun achterwerk en hoe de wielen kraken over de kasseien…” Onze kindermondjes vielen open van bewondering en verbazing! Geef toe dat het dyllische taferelen betrof dan wat er nu te zien valt met de moderne heftruck of containerkraan…

Lag er af en toe een ‘Congoboot’ gemeerd aan het Zuiderterras, dan ging de morgenwandeling daarlangs ‘om te kijken of er geen kindjes waren meegekomen’. Die werden immers gelost in de “Entrepot du Congo”! Seksuele voorlichting was in die tijd toch wel romantischer gekleurd! Daarmee wisten we genoeg en werden er geen vervelende vragen meer gesteld.

Een dagelijks ritueel waar niet aan te ontsnappen was, volgde na het morgenontbijt. Vanuit de kelderkeuken vertrokken we naar de school, maar boven aan de trap (een andere uitweg was er helaas niet) stond vader klaar met een fles levertraan en een groot stuk ‘blokchocolade-fondant’. Iedereen kreeg een soeplepel van dat smeuïge goedje te verteren en dan beet vader een stuk van de chocoladereep, het ene stuk al wat groter dan het andere, om de ranzige smaak van die walvisolie verteerbaar te verwerken!

Kinderen spelen graag. Dat was natuurlijk niet mogelijk in de enge kelderwoning met nauwelijks vier plaatsen: links was de keuken, rechts de eetkamer, tussen beide in een smalle ruimte met opgestapelde rollen kledingsstoffen en kostuums, nog een voorraadkamertje en onder de trap was het toilet.

Moeder die met haar zeven kinderen haar handen meer dan vol had, en zeker de eerste jaren na haar huwelijk mee ingeschakeld was voor maat- en bijpaswerk in de winkel, werd op haar beurt bijgestaan door een huishulp, Nieke Swinkels uit Zichem. Zij was een tante van de “de Witte van Zichem”! Zulk een ‘kinderoppas’ of hoe je het ook noemen wil, hebben wij altijd gekend. Zij woonden dag en nacht bij ons in, controleerden en hielpen bij het dagelijks huiswerk en het opvragen van de lessen, en hebben zeker bijgedragen tot onze algemene vorming. Noteer dat dit het geval was bij elk van de vele nonkels en tantes. Hun namen blijven onafscheidelijk aan onze familie verbonden. Ik denk aan Nieke, Denise, Alice, Emerance, Aline en vele anderen…

Al was er toentertijd weinig of geen verkeer, spelen op straat hoorde zeker niet bij welopgevoede kinderen! Er was gelukkig de Groenplaats dichtbij, waar ‘katteke’ of ‘bedot’ (verstoppertje) werd gespeeld rond het beeld van Rubens en de nu verdwenen antieke kiosk. Bij heel mooi weer ging de wandeling tot bij de tuinen rond het Museum voor Schone Kunsten.

Er was iedere zondag ook het bezoek aan Bompa van Edegem. Zijn grote tuin was een paradijs zonder verboden vruchten. Alleen van de perziken moesten we afblijven. Hoe we na een dergelijke namiddag ravotten en fruit eten geen halve week last hadden van diaree is me nog een raadsel. Toen bompa ook nog een tennisterrein had aangelegd, kregen we allemaal een paar rolschaatsen waarmee we urenlang konden ronddraaien als er door de vaders niet getennist werd. Wij keken uit naar die grote speeltuin in Edegem, voor vader betekende het wekelijks bezoek aan zijn vader nog veel meer. Ook als wij reeds de kinderjaren waren ontgroeid, bleef hij trouw iedere week zijn vader opzoeken met een kistje sigaren van ‘Van den Oudenaarde’ en een envelop met ‘zakgeld’ voor de komende week.

Waar we in ieder geval met spanning naar uitkeken, waren de jaarlijks weerkerende zomervakanties in Blankenberge. Het begon in de Sergeant De Bruynstraat, waar de zuster van Bompa van Edegem, Marie Remael-Arts, een eigendom had. Wij kregen er de eerste verdieping en de familie Hartman de tweede. Maar de meeste en blijvende herinneringen hangen vast aan het “Hotel du Phare”, waar wij samen met de familie Jacqmain vele jaren schitterende vakanties en ettelijke avonturen beleefden!…

De reis erheen met onze “Minerva 22 paarden” was op zich reeds een belevenis! Vooraf had Neel, de Nederlandse chauffeur van nonkel Toine en van het Modepaleis, alles nog eens goed nagekeken, en de ijzeren lamellen van de vering extra gesmeerd. Deze auto was er een, die je niet zomaar met een handomdraai van de contactsleutel in gang kreeg, maar waar je eerst ‘benzine moest inspuiten, dan de choke opentrekken en dan vooraan met een hengel (en oppassen voor de terugslag) de ‘pistons’ moest losdraaien’.
Vooruit dan maar! Moeder op de achterbank met de twee dochters, vader vooraan met onze Pol en de vier jongste op de “strapontins”, de klapstoeltjes tussenin. Een koffer had die auto niet, wel een bagagerek achteraan waarop twee reusachtige zwarte koffers werden vastgehecht. Daar moest dus alles in wat we voor een ganse maand nodig hadden aan zee!

We hadden ook niet zoveel behoeften: zand en zee, een miniatuurvissersbootje en kleine autootjes, een zak knikkers, een vlieger, een emmertje en een schub, later ook nog een vislijn. “Morgenstond heeft goud in de mond”. Aan spreuken had ons vader geen gebrek en ook tijdens de vakantie konden de dagen niet vroeg genoeg beginnen. Dus zaten we om 7 uur ’s morgens voor de mis ofwel in de hoofdkerk van Blankenberge ofwel in de kapel van de Zusters Karmelietessen dicht bij het station. Na het ontbijt in een speciaal voor onze twee families gereserveerde eetzaal was het dan zover: zand en zee, zee en zand.
Alleen het strand vlak voor het hotel, waarop als allerlaatste onze twee groene strandcabines stonden, en hoogstens tot aan de volgende “brise-lames”, was ons speelterrein. De oudsten mochten af en toe met vader en nonkel Ri mee gaan zwemmen, iets verderop waar de officiële kleedcabines stonden als een dorp met honderd kleine huisjes op wielen. Onze familie koos de cabines van ‘Jonas’.
Als tegenprestatie voor dit uitgelezen voorrecht moest onze Pol dan wel bij nonkel Ri op het matje om zijn kennis te laten toetsen over de “participe passé”!
Wat iedereen alleszins wist: bij ons moeder, “Tante Jos”, kon je altijd terecht voor wat snoep, of voor een frankske waarmee je in een snoepkiosk op de dijk heel wat zoetigheid kon krijgen of een ‘crême-glace” met twee bollen!

Toch keren we nog even terug naar Sint Andries. Meer en meer werd duidelijk dat voor de opgroeiende kinderen wat meer levensruimte noodzakelijk werd en in de kledingindustrie evolueerde men steeds meer van maat- en paswerk naar afgewerkte en pasklare confectiegoederen. Dat creëerde evenwel een dringende behoefte aan grotere opslagruimte. Zo kwam het dat in 1933 vader een groot herenhuis zocht en er een vond in de Le Grellelei te Berchem waar het hele gezin naar verhuisde.

Jaren voordien had vader voor zijn schoonouders een huis laten bouwen op de Koninklijkelaan. Daar kon ‘bompa Dekkers’ zijn bijzonder handige knutselaartalent ten volle ontplooien en timmerde hij allerlei speelgoed in elkaar, ondermeer een heuse boot op wielen met plaats voor twee passagiers, waarmee wij heel wat bekijks kregen toen we daarin werden voortgetrokken op de Koninklijkelaan..!

Maar ook een heus altaar op kinderformaat, met tabernakel en kunstzinnig uitgewerkt retabel voor de monstrans. Vermits wij allemaal en vanzelfsprekend als misdienaar voor de dagelijkse mis in de Basiliek van het Heilig Hart (in de Merodelei) werden opgeleid, ontwierp bompa voor ons dit altaar als een handig oefenterrein en werden tegelijk aangepaste priesterkleren en een kazuiveltje aangemaakt met alles erop en eraan. Een onderliggende wens zal wel geweest zijn dat misschien een of andere van zijn kleinkinderen door veel ‘missen te spelen’ de weg van zijn zoon Karel zou volgen en kiezen voor het kloosterleven. De twee zijn gebeurd: we hebben veel, en soms om ter vlugst, ‘mis gespeeld’ en later hebben Piet en Luk inderdaad voor het priesterschap gekozen.

Op de Amerikalei, waar wij de kleuterklassen doorliepen bij de “Soeurs de Notre Dame”, deed Soeur Marie-Joseph er nog een schepje bovenop en leerde ons al heel vroeg een heus sermoen te houden, dat zelfs begon met een Latijnse zin uit het Boek Prediker: “Vanitas vanitatum. Omnia vanitas, praeter amare Deum et Illi solo servire”. “Vanité des vanités…” (Ons Monique kent de hele preek nog van buiten. Zo vaak werd hij thuis ingeoefend!) Het werd de eerste foto van onze broer Piet in zwarte priestertoga, witte superplies en stooltje! Hij was toen acht jaar en het geluk straalde uit zijn ogen.
Vanzelfsprekend moest hij zijn sermoen ook brengen in de spreekkamer van de Zusters van de Basiliek, waar Mère Supérieure en enkele bevoorrechte zusters van achter de zwarte tralies deze prille roeping zeker hebben aangemoedigd.

Piet trad later in bij de Missionarissen van Afrika (Witte Paters), was meer dan dertig jaar werkzaam in Burundi (waar hij ondermeer de eerste gruwelijke genocide meemaakte) en verraste zijn broers en zus toen hij, ter gelegenheid van zijn jubileum van 50 jaar priesterschap, onverwacht en tegen zijn gewoonte in, het woord nam en zei ” Ik heb heel mijn leven gedaan wat mijn oversten van mij vroegen en ben Ons Heer heel dankbaar omdat ik steeds gelukkig ben geweest in mijn roeping”.

Onze bompa en bomma Dekkers hebben tot in 1936 op de Koninklijkelaan gewoond en zijn dan bij ons in de Le Grellelei komen inwonen. Ze betrokken twee kamers op de tweede verdieping, vlak over de slaapkamer van onze ouders. Hun aanwezigheid was in onze ogen vanzelfsprekend en zonder woorden werd ons van jongs af ingeprent hoe kinderen voor hun bejaarde ouders kunnen zorgen.
Het had voor ons ook wel zijn kleine voordelen, want ieder jaar kwam Sinterklaas niet alleen in het salon op de eerste verdieping zijn speelgoed deponeren, maar ook op de tweede verdieping liet hij voor ieder van ons een pak snoepgoed achter!

Alle dagen met elf aan tafel, het was blijkbaar nog niet genoeg. Ook de zus van bomma, Sidonie Lévèque-Verhaegen kwam bij ons inwonen en kreeg de kamer daarboven, naast de slaapkamer van de meisjes. Zij kreeg ondermeer de zware opdracht vooral ’s avonds de orde te handhaven op de slaapkamer van de jongens. Werd het daar al te bont, dan kwam “Tant Sid”, zoals wij haar noemden, in nachtpon op ons af met opgerold roze korset, waar de baleinen nog uitstaken, in een poging die jonge delinquenten tot betere gevoelens te bewegen! Het werd vaak een kat-en-muis-spelletje zonder winnaars of verliezers… tot vader zelf naar boven kwam!

Toen bomma niet goed meer te been was, bleef zij boven op haar kamer. Bompa echter bleef liefdevol voor haar zorgen en besteeg meerdere keren per dag de lange trap naar de tweede verdieping, tot op zijn 93 jaar!

Zat hij met ons aan tafel bij het eten, dan kon je best op je tellen letten. Eens waande ik me veilig (vader was niet in de buurt en moeder druk bezig) en dopte mijn gesmeerde boterham met de twee helften in de kom met chocolade hagelslag ( we noemden dat de “chocolatte meuskes”) tot bompa plots op me afkwam: “Lukske, la gourmandise est un gros péché”! In ’t Frans klonk het zelfs als een doodzonde!

Als voorbeeld van onbaatzuchtige vrijgevigheid mocht onze kat elke avond bij bompa op de schoot kruipen en met haar twee voorpootjes op de tafel uit hetzelfde bord meeslurpen als hij zijn dagelijks bord havermoutpap naar binnen werkte. Tegelijk draaide hij dan de ganse tijd zijn bord rond, want de kat had ontdekt dat de pap op de randjes minder heet was!

Toen bomma op 89-jarige leeftijd stilletjes en van uitputting overleden was, hoorden we bompa zeggen: ” ’t is niks, moeke, ik kom ook.” Acht uur later is hij gestorven.

Maar in 1940 brak de tweede wereldoorlog uit! Door bommen die voor de vlieghaven waren bedoeld, maar op het Sint Amadeus-ziekenhuis in Deurne terecht kwamen, werden we om vijf uur ’s morgens wakker. We liepen naar de zolder om beter de overvliegende bommenwerpers te kunnen zien en de vele witte wolkjes er overal rond van de luchtafweerkanonnen die probeerden de vliegtuigen te raken. Maar lang hebben we daar niet gestaan, want vader kwam in allerijl naar boven en riep ons mee naar de kelder, want hij had in de radio gehoord dat “de oorlog was begonnen”!
Bijna vijf jaar heeft hij geduurd. Duitse bezetting, harde winters met net voldoende cokes om één zitkamer in huis goed te verwarmen, gerantsoeneerde etenswaren, het licht in huis alleen aansteken nadat alle ramen met zwarte voorzethorren waren afgedekt, slechte zakencijfers op de winkel…toch slaagden onze ouders erin ons gaaf en gezond doorheen deze barre periode te loodsen.
Naar het einde van de oorlog toe moest het ergste nog komen: de vliegende bommen, die vooral Antwerpen als doelwit hadden! Zoals zijn vader in 1914 zijn gezin in veiligheid bracht naar Sluis in Nederland, zo zochten onze ouders een veilig onderkomen voor ons in “Pension Fleurette” in Blankenberge. Moeder was mee, vader bleef achter in Antwerpen om waakzaam toe te zien op het huis van de Le Grellelei dat, op enkele gebarsten ruiten na, goed gespaard bleef en op de winkel ‘Sint Andries’, die het erger te verduren kreeg en waar alle uitstalramen aan diggelen vlogen. Maar het had allemaal veel erger kunnen zijn.

Hun zwaarste beproeving was ongetwijfeld de afwezigheid van hun oudste zoon Pol, die sinds 1943, zoals vele jonge landgenoten, door de Duitsers was opgeëist om in Stuttgart te gaan werken voor hun oorlogsindustrie. Kregen we in het begin af en toe nog een brief met wat nieuws, naar het einde toe van de oorlog volgde niets meer, maandenlang! Toch meldde de radio bijna dagelijks: nieuwe bombardementen op Stuttgart en omgeving.
Wat konden we nog meer doen dan elke avond, wanneer we met het ganse gezin rond de tafel het rozenhoedje baden, er nog “een tientje voor onze Pol” bij te voegen? Het heeft geholpen, want op 9 mei 1945, toen vader, zoals hij het wekelijks deed, met zijn broers in ons kleine zitplaatske aan het kaarten was, rinkelde om acht uur ’s avonds de telefoon! Kaarters mochten niet gestoord worden en dus nam ons Monique de telefoon op: ” Hallo! ’t is hier Pol”!…Onbeschrijflijke taferelen!

Nonkel Fa, die als dokter een toelating had om met de auto (met gasflessen op het dak) te rijden, sprong in zijn wagen richting Station. Maar Pol wist nog dat tram 17 van het station naar Wilrijk reed en stopte aan café “den Driehoek”, op de hoek van de Generaal Leman- en de Karel Oomstraat. Even later zagen we zijn silhouet in het donker opduiken en vloog hij in de armen van ons moeder… We hebben nog wekenlang bij het Rozenhoedje ’s avonds er nog een “tientje voor onze Pol” bij gebeden!

Wij hebben ons ooit wel eens de vraag gesteld of vader er in zijn jeugdjaren nooit aan gedacht heeft om franciscanenmonnik te worden. We kunnen ons achteraf gelukkig achten dat hij het niet geworden is. Maar een roeping om voor zijn Heer en Meester een deugdzaam leven te leiden, had hij zeker. Een reflex van vrijgevigheid was hem ingeboren en velen hebben daarvan geprofiteerd.

Door het vroegtijdige overlijden van hun moeder,- vader was toen 23 jaar oud en één jaar getrouwd -, kwam een zware verantwoordelijkheid te rusten op de schouders van zijn oudere en enige zus Jeanne. Het komt me voor dat vader zich steeds heeft ingespannen om haar hierin bij te staan, vooral dan ten overstaan van zijn zes jongere broers. Drie van hen kozen evenwel voor het kloosterleven: Willem (nonkel Jom) werd jezuïet, Lode (nonkel Louis) volgde hem in dezelfde orde en Henri (nonkel Ri) koos voor de Norbertijnenabdij van Averbode, waar hij de kloosternaam Philoteüs kreeg. Dus ging zijn volle aandacht naar de jongste drie.

Wekelijkse kaartavonden in de Legrellelei werden even zovele gelegenheden om de familiale problemen te bespreken, mogelijke wrijvingen bij te leggen, moed en vertrouwen in te spreken. Negen broers, negen eigen en sterke karakters! Begrijpelijk toch dat verschillen in opvattingen en aanpak wel eens tot wrijvingen hebben geleid. Vader spaarde tijd noch moeite om steeds de broederlijke en familiale banden weer aan te spannen, verzoenende woorden te spreken, de vriendschap te herstellen. Het was voor hem een zending. Vele jaren ging hij zich daarvoor herbronnen tijdens een retraite in de abdij van Drongen, samen met nonkel Ri Jacqmain. Het waren trouwens de enige dagen dat vader zijn gezin met moeder alleen achterliet.

Op moeder kon hij rekenen!

Ik weet niet wanneer precies moeder heel hardhorig, ja zelfs totaal doof werd. Ik zelf herinner me alleen een moeder met wie wij spraken met gebaren en heel geprononceerde articulatie, want zij had zich ongelooflijk bekwaamd in het liplezen. We hebben ons als kind nooit voldoende kunnen realiseren wat een zwaar te dragen offer dit voor haar heeft betekend.

Familiefeesten met zingende en musicerende nonkels en tantes, die speechten, luidop lachten of al eens ruzie maakten, haar kinderen die gedichtjes voordroegen… zij kon er zichtbaar van genieten omdat moeder pas gelukkig was als ze anderen gelukkig zag.
Waar zij die onuitputtelijke moed vandaan bleef halen, we hebben er het raden naar. Zeker is dat moeder sterkte vond in haar diep ingeworteld geloof en in de honderden of misschien wel duizenden rozenhoedjes die zij gebeden heeft terwijl de lichtblauwe kraaltjes van haar Paternoster door haar vingers gleden.
Zeker ook in de geduldige trouw en liefde van vader en van elk van haar kinderen. Want wij hielden van moeder, een betere kan niemand zich dromen. Het klinkt ongelooflijk en het lijkt bovenmenselijk, maar wij hebben moeder nooit horen klagen! Daar had ze nochtans redenen genoeg voor, want naast haar doofheid bleef ze niet van andere beproevingen gespaard en moest ze verschillende operaties doorstaan. Dan schreef zij in een brief “dat z’er weer een tirette gingen bij zetten”…

Op woensdagmorgen 23 oktober 1971 werd moeder wakker en vertelde vader dat ze nog eens graag naar Scherpenheuvel wou gaan. Bij de terugkeer reden ze als naar gewoonte langs de abdij van Averbode en bezochten er het kerkhof waar haar broer Karel begraven lag. Plots hoorde vader haar stilletjes fluisteren: “Chareltje, ik zal u vlug volgen”. ‘ s Avonds was het de wekelijkse ‘kaartavond’ op de Koninklijkelaan. Nonkel Fa, nonkel Jef, onze Pol en vader zaten achteraan, tante Lily, tante Mit en ons moeder vooraan in het salon. Daar hield ons moeder van. Maar die avond liet ze zich ontvallen: “Och, Lily, als ik nu nog blind moet worden ook, dan mag Onze Lieve Heer me komen halen”.
Beneden in de hal stond boven op een radiatorkast een sierlijk Mariabeeld, dat ook in het huis van de Le Grellelei een ereplaats had op de “groten trap”. Toen onze Pol die avond moeder hielp om de trappen op te gaan, moest hij even bij het Mariabeeld blijven staan. Ze wierp er een blik op en stapte dan verder de trap op. Toen ze ’s anderendaags wakker werd, zei ze rustig: “vader, ik ga sterven”. In paniek belde vader onze Pol op. Toen die even later op de kamer kwam, is moeder in zijn armen gestorven.

Nog vier jaar bleef vader alleen wonen op de Koninklijkelaan. Het was dicht bij zijn oudste zus Jeanne, die slechts een paar honderd meter verder woonde op de Grote steenweg. Door dit gelukkig toeval zagen zij elkaar elke morgen, wanneer ze samen en vooraan de morgenmis bijwonden in de parochiekerk. We kunnen zonder moeite gissen voor wie ze er vurig en devoot hebben gebeden. Voor allen die ze innig hadden bemind.

Nog elke dag trok vader op naar de winkel Sint Andries om er te gaan ‘werken’, zij het in tweede versnelling. Tot drie dagen voor zijn overlijden. Dat was op 24 oktober 1975. Daags voordien had hij, in het bijzijn van zijn kinderen, waaronder zijn twee zonen priester en ook van zijn drie broers priester, helder van geest en in volle overgave de laatste sacramenten ontvangen. Naast hem op de nachttafel een foto van moeder met een ruikertje verse bloemen.
Dan wilde hij rustig alleen blijven. Toen we de kamer verlieten, vroeg hij nog aan onze Pol “vergeet de klok niet op te draaien”. Toen Pol een uur later nog eens ging kijken, was het net op tijd. Ook vader is in zijn armen gestorven.