Henri en Jeanne: De enige tak die niet de naam Arts draagt

Onderstaande heerlijke “historie” werd ons ter gelegenheid van Artskesdag 2003 overgemaakt door de kinderen van Henri en Jeanne.

Het is wellicht bekend dat onze tak de enige is die niet de naam Arts maar Jacqmain draagt. De verklaring is dat onze moeder, die negen broers had, de enige overlevende dochter was van bompa Arts van Edegem en Maria van Bogaert.

Laten we daarom aan hun nageslacht in de eerste plaats iets vertellen over hun enige schoonzoon en onze vader Henri Jacqmain. Benevens het feit dat hij afkomstig was van Fosses la Ville, in de provincie Namen, zijn de gegevens die hij ons betreffende zijn familie heeft nagelaten bijzonder karig, vermoedelijk omdat hij er zelf weinig informatie over had. Henri was namelijk slechts knaap van tien wanneer zijn moeder in 1901, op 37-jarige leeftijd, overleed. Vanaf het volgende schooljaar werd hij in een kostschool te Jodoigne geplaatst. Toen zijn vader kort daarna hertrouwde, gaf Henri er de voorkeur aan bij zijn grootouders in te trekken aan de Augustijnenstraat 35 te Antwerpen. Zijn enige broer Fredericus, ‘nonkel Frits’, engageerde zich vrijwillig in het leger. Reeds in 1904 overleed ook zijn vader, twee en veertig jaar oud.

“créature des jésuites”

Henri studeerde verder aan het “Institut Saint Ignace sous la direction de la Compagnie de Jésus à Anvers”. Omdat hij helemaal wees was, kondigde hij in augustus 1919 zelf zijn huwelijk met Jeanne Arts aan. Op dat ogenblik woonde hij aan de Miraeusstraat 33 te Antwerpen.

De echtgenoot van Jeanne Arts was een buitengewoon getalenteerd man. Hij was Nederlandstalig, studeerde in het Frans, wat in die tijd vanzelfsprekend was, en sprak vloeiend Engels, wat in die tijd eerder uitzonderlijk was. Hij had namelijk in Croydon bij Londen gewoond waarheen hij tijdens de eerste wereldoorlog, vanuit de haven van Rotterdam, de “courrier diplomatique” bracht. Benevens mathematicus was hij een levende encyclopedie van aardrijkskunde en geschiedenis. Met de eerste lichting studenten aan de Rijksuniversiteit Gent doctoreerde hij ‘summa cum laude’ in de handelswetenschappen. Hij vertelde ons dat de “applaudissements du jury” hem geweigerd werden omdat hij voor een van zijn examinatoren een “créature des jésuites” was…

Omdat hij vond dat “Rikske” als briljant student hogerop moest, had pater De Cleyn s.j., overste en studieprefect van Sint Ignatius, hem naar de universiteit geloodst. Zijn leven lang is hij pater De Cleyn ten diepste erkentelijk gebleven. Mede uit dankbaarheid heeft hij gedurende meer dan veertig jaar boekhouding gedoceerd aan de Sint Ignatius Handelshogeschool te Antwerpen.

Anglofiel door dik en dun luisterde hij tijdens de tweede wereldoorlog in een ingemaakte keukenkast naar de Engelse radio en hij heeft, in tegenstelling tot vele tijdgenoten, nooit aan de uiteindelijke zegepraal van de door hem bewonderde Winston Churchill en zijn volk getwijfeld.

“Alice”

Aan de ontbijttafel las hij verschillende kranten door. Daarbij was hij dusdanig geconcentreerd dat de kop koffie, die hij steunend op de rechter elleboog bij het oor vasthield, tot verbijstering van ‘ons Alice’, steevast over de tafel werd uitgegoten. Hier dient
gezegd dat Alice onze tweede moeder was; kort na het huwelijk van onze ouders, en nog vóór de geboorte van hun eerste kindje, kwam ze op veertienjarige leeftijd in hun dienst. Ze heeft onze familie nooit meer verlaten tot ze op 86-jarige leeftijd van ons is heengegaan.

Omdat vader een hard en toegewijd werker was, bleef er maar weinig tijd om zich met de opvoeding van de kinderen bezig te houden. Omdat hij geen familie had en moeder onbetwistbaar de dominante ouder was, werden wij uitsluitend in de ban van de familie Arts opgevoed.

“Nous sommes vingt-trois, madame”

Henri Jacqmain

Anglofiel als hij was en bang voor de Duitsers, trok vader met heel zijn gezin, met een karavaan auto’s van vrienden en kennissen, tijdens de oorlog op vlucht naar Frankrijk. Op aanwijzing van een Franse vriend kwamen we terecht bij de familie Brousseau aan de rue Austerlitz 55 te Angoulême. Vermits de Belgische vluchtelingen aanbevolen waren, wilde mevrouw Brousseau ze wel opvangen en voorlopig bij haar logeren maar ze wilde dan wel weten hoe talrijk ze waren. Moeder werd door deze vraag erg in verlegenheid gebracht en durfde gewoon niet te antwoorden. Na lang aandringen zei ze dan toch, aarzelend en bijna fluisterend: “Nous sommes vingt-trois, madame”. Dat was veel om met haar gezin onder hetzelfde dak te blijven wonen. Daarom werd na enkele dagen een woning ter beschikking gesteld te Cothiers, een gehucht van La Couronne, een gemeente aan de rand van Angoulême.

Vermits maarschalk Pétain in de zomer van 1940 een wapenbestand sloot met de Duitse bezetter, had het geen zin meer nog dieper Frankrijk in te trekken en keerden we naar Antwerpen terug.

Op 8 september 1944 werd Antwerpen door de Engelsen bevrijd, maar dat betekende nog niet het einde van de ellende. De Antwerpse haven speelde een belangrijke rol op het gebied van de bevoorrading van de geallieerde legers. Om die reden werden stad en haven vanaf oktober, dus amper een maand na de bevrijding, door de Duitsers beschoten met de beruchte V- 1 en daarna met V-2-bommen.

Andermaal werd besloten moeder, Alice, Thérèse, Pierre, Willy en Christian in veiligheid te brengen te Blankenberge. Mimine en haar drie toen geboren meisjes gingen mee. Emilia en Titine bleven bij vader en sliepen onder een sterke tafel in de grote kelderkeuken. Dat was nodig, want er vielen ‘vliegende bommen’ in de onmiddellijke omgeving van onze woning aan de Van Schoonbekestraat 115, waardoor ramen en vensters uit de voorgevel werden gerukt.

Na enkele weken onderdak te hebben gekregen bij de familie Kamoen–Ketels gingen we wonen aan de Luikstraat 13, een zijstraat van de Grote markt. De verhuis gebeurde met een vrachtwagentje dat op houtskool reed. Ook tante Elisa, met Christiane en Jef, en tante Jos, met Monique, André en Herman, waren naar Blankenberge gekomen. Piet en Luk kwamen met de weekenden; de weekdagen brachten ze met de leerlingen van het Sint Xaveriuscollege door in de rand van de stad.

De moeders maakten een angstige tijd door; alle avonden kwam er een autobus van ‘Pam Vermeulen’ van Antwerpen en gingen ze bij de chauffeur informeren waar die dag de bommen waren gevallen.

Voor de kozijns echter was het een heerlijke periode. Zij gingen met zijn allen naar het Sint Pieterscollege, waren zich van geen gevaar bewust en speelden met de gevaarlijkste oorlogstuigen die nog talrijk in de bunkers langs de kustlijn te vinden waren. Een vliegtuigvlot, handgranaten maar vooral obussen waren fel begeerd speelgoed; die zaten vol springtuig, ‘spaghetti’, waarvan een voorraad onder het bed werd opgestapeld en waarmee ‘s avonds op de Grote markt vuurwerk werd afgestoken. Dat was natuurlijk niet naar de zin van de politie. De jongens werden opgepakt en moeder moest met nonkel Paul voor hen ten beste gaan spreken bij de kinderrechter te Brugge die hun kinderen “droevaards” noemde. Gelukkig gebeurden er geen ongelukken en bleef iedereen gespaard.

Na het einde van wereldoorlog II kwamen er grote veranderingen in het gezin. De kinderen huwden, kommer en zorg van de oorlogsjaren hadden de gezondheid van vader ondermijnd. We verhuisden van het grote huis aan de Van Schoonbekestraat 115 naar een kleiner, nummer 43 van dezelfde straat.

Op 8 oktober 1954 overleed vader Jacqmain er, amper 63 jaar en toch een oud man. Voor zijn weduwe volgden er moeilijke jaren. Gelukkig vond ze kracht en sterkte in gebed en haar onverwoestbaar geloof.

Na het overlijden van haar echtgenoot verhuisde Jeanne naar een appartement aan de Grote Steenweg te Berchem. Daar overleed zij op maandag 25 februari 1980. Zij was 84 jaar oud, en werd begraven op het gemeentekerkhof te Edegem.

Volgens de opzoekingen die wij anno 1994-1996 uitvoerden, stamt Henri af van ene Petrus Jacqmain en Marie Honeux uit Fosse-la-Ville nabij Bouillon (begin 18de eeuw).