Blankenberge

Vakantietradities werden in ere gehouden, en steeds weer vonden Artskes elkaar in Blankenberge. Wat volgt zijn verhalen van verschillende familieleden over die tijden.

Elk jaar ging “bomma Arts” met haar kroost op vakantie naar Blankenberge, waarover later fantastische verhalen de ronde deden!  Vooral tante Jeanne (Joanna Arts – Jacqmain) kon in geuren en kleuren en in het Blankenbergse dialect vele plezierige anekdoten vertellen.

Emerence de naaister

familie Jacqmain

Zoals moeder het met haar ouders had gedaan, gingen ook wij, vóór de tweede wereldoorlog, met vakantie naar Blankenberge, in het “Hotel du Phare”, het laatste gebouw op de westkant van de dijk, naast de vuurtoren, aan de ingang van de vissershaven. Op het strand, vóór het hotel, stonden de tenten van de familie Arts want ook tante Jos van nonkel Paul en tante Elza van nonkel Georges waren met hun kinderen in “de Phare” gelogeerd. Tante Elisa van nonkel Toine verbleef iets verder op de dijk in villa “Félicité”. De locatie op het uiteinde van het strand was uitgelezen voor de aankomende jeugd, weg van de minder zedelijke en populaire buurt van het Casino.

Na de dagelijkse mis bij de Karmelietessen trokken de kinderen na het ontbijt, onder toezicht van ‘ons Alice’ en ‘Emerence de naaister’, naar het strand om forten te bouwen en krabben te vangen tussen de stenen van de golfbrekers. Bij opkomend getij werden de forten met man en macht tegen het wassende water verdedigd.

De meisjes trokken tweemaal per week naar de markt. Heimelijk trokken ze naar een kraam waar teksten werden verkocht van liedjes die ter plaatse werden aangeleerd. Een van die liedjes ging zo: “En ginder door dat vensterke, daar lag een meisje fijn. Zeg matroosje wilt gij mij…..” enz. De moeders waren helemaal niet gediend met deze onkuise liedjes en vroegen wie hun die had aangeleerd. Als schuldige werd steevast ‘Emerence’ aangewezen. Die werd hiervoor door ‘nonkel Louis pater’ vermaand hoewel de sukkel er niets mee te maken had.

Enkele jaren voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog werden de strandzeden iets losser en verschenen hier en daar dames met een tweedelig badpak. Een revolutie in vergelijking met de badpakken rond de hals en met rokje… Dat sommige van die moderne dames zich in de buurt van haar jongens waagden, werd moeder te machtig. Om dit bederf van de jeugd te lijf te gaan, riep ze tevergeefs de hulp van de politie in. Ze ging dan maar zelf op die zedeloze exemplaren af met de aanmaning: “Sale femme, partez d’ici”. Hielp deze uitbrander niet, dan moesten de jongens ze maar met zand bekogelen, waarop dan soms toch de aftocht werd geblazen.

Om de jongens wat meer van het verderfelijke strand weg te houden, werden er vislijnen gekocht. Eerst pieren steken en dan naar de vissershaven want daar was, naar verluidt, veel te vangen. Gewoonlijk was het resultaat echter rampzalig: er werden lange uren doorgebracht zonder iets boven te halen. Soms was de frustratie zo groot dat de dobber met stenen werd gekogeld. Maar de vaders kwamen de jongens regelmatig moed inspreken, zeggend dat ze in geen geval mochten opgeven want de vissers hadden gezegd dat die jongens daar op een nest paling zaten…

Als het geduld helemaal was opgebruikt, zagen de jongens hun vaders, met een pintje “Henri Funk”, bak spelen op het terras van het “Pavillon du Port”. Om ze uit hun buurt te houden, kregen ze 25 centiemen om aan het snoepkraam op de dijk ‘neuzen’ te gaan kopen. Op die manier waren ze weer een tijdje gerust.

Bij lage tij werd er op het ‘nat zand’ in groep “Camp ruiné” en “Croquet” gespeeld en zelfs tennis, want de familie had zich een heus tennisnet aangeschaft. Uiteraard werd er ook regelmatig gezwommen. Rond zestien uur bracht Pierre, de receptionist van het hotel, een stapel boterhammen naar het strand en elke boterham gaf recht op een halve reep chocolade. Soms viel er, opzettelijk of niet, een boterham in het zand. Moeder liet zich dan niet van de wijs brengen en zei: “Dat geeft niet, zand schuurt de maag”.

’s Zondags werden de Minerva’s uit de garage gehaald om, feestelijk uitgedost, in familie naar de mis te gaan in de hoofdkerk.

Te Blankenberge echt gebeurd:

  • Jef van tante Elisa stak de kachel aan met ‘spaghetti’; het deksel vloog er af en de kachel werd uit de schouw gerukt;
  • onze Willy bracht een vat smeerolie, aangespoeld uit een gezonken schip, mee voor moeder “om mayonaise te maken” en
  • bij stormweer maakte hij met André van nonkel Paul in de haven alle vissersbootjes los. Ze dobberden rond als lucifers;
  • als Antwerpenaar werd Herman van tante Jos door een klasgenoot spottend “de V-1” genoemd; Herman gaf hem een flinke klap op zijn oor en zei: “Da’s een V-2, die hoort ge niet aankomen”.

“crême-glace met twee bollen”

Familie Paul Arts

Waar we in ieder geval met spanning naar uitkeken, waren de jaarlijks weerkerende zomervakanties in Blankenberge. Het begon in de Sergeant De Bruynstraat, waar de zuster van Bompa van Edegem, Marie Remael-Arts, een eigendom had. Wij kregen er de eerste verdieping en de familie Hartman de tweede.

Maar de meeste en blijvende herinneringen hangen vast aan het “Hotel du Phare”, waar wij samen met de familie Jacqmain vele jaren schitterende vakanties en ettelijke avonturen beleefden!…

De reis erheen met onze “Minerva 22 paarden” was op zich reeds een belevenis! Vooraf had Neel, de Nederlandse chauffeur van nonkel Toine en van het Modepaleis, alles nog eens goed nagekeken, en de ijzeren lamellen van de vering extra gesmeerd. Deze auto was er een, die je niet zomaar met een handomdraai van de contactsleutel in gang kreeg, maar waar je eerst ‘benzine moest inspuiten, dan de choke opentrekken en dan vooraan met een hengel (en oppassen voor de terugslag) de ‘pistons’ moest losdraaien’.
Vooruit dan maar! Moeder op de achterbank met de twee dochters, vader vooraan met onze Pol en de vier jongsten op de “strapontins”, de klapstoeltjes tussenin. Een koffer had die auto niet, wel een bagagerek achteraan waarop twee reusachtige zwarte koffers werden vastgehecht. Daar moest dus alles in wat we voor een ganse maand nodig hadden aan zee!

We hadden ook niet zoveel behoeften: zand en zee, een miniatuur-vissersbootje en kleine autootjes, een zak knikkers, een vlieger, een emmertje en een schup, later ook nog een vislijn. “Morgenstond heeft goud in de mond”. Aan spreuken had ons vader geen gebrek en ook tijdens de vakantie konden de dagen niet vroeg genoeg beginnen. Dus zaten we om 7 uur ‘s morgens voor de mis ofwel in de hoofdkerk van Blankenberge ofwel in de kapel van de Zusters Karmelietessen dichtbij het station.

Na het ontbijt in een speciaal voor onze twee families gereserveerde eetzaal was het dan zover: zand en zee, zee en zand. Alleen het strand vlak voor het hotel, waarop als allerlaatste onze twee groene strandcabines stonden, en hoogstens tot aan de volgende “brise-lames”, was ons speelterrein.
De oudsten mochten af en toe met vader en nonkel Ri mee gaan zwemmen, iets verderop waar de officiële kleedcabines stonden als een dorp met honderd kleine huisjes op wielen. Onze familie koos de cabines van ‘Jonas’. Als tegenprestatie voor dit uitgelezen voorrecht moest onze Pol dan wel bij nonkel Ri op het matje om zijn kennis te laten toetsen omtrent de “participe passé”!

Wat iedereen alleszins wist: bij ons moeder, “Tante Jos”, kon je altijd terecht voor wat snoep, of voor een frankske waarmee je in een snoepkiosk op de dijk heel wat zoetigheid kon krijgen of een ‘crême-glace” met twee bollen!

Strandmode